Tramseinen Premetro Antwerpen
wisselfoto

>  Terug naar het menu  <



Laatste update: 16-07-2017

Door het bezoeken van
deze website gaat u
akkoord met de
disclaimer

Deze pagina gaat over de seinen in het ondergrondse deel van het Antwerpse tramnet, de zogenaamde premetro. Voor info over het bovengrondse deel verwijzen we u door naar deze pagina.

Er zijn 2 uitvoeringen van de seinen in de premetro: bij de eerste versie zitten de cijferbakken onder de gekleurde lampen, bij de tweede versie zitten ze naast de lampen. Om plaats te besparen worden op deze pagina enkel seinen van de tweede versie gebruikt.

De basis
Het seinsysteem is heel eenvoudig uitgevoerd en heeft slechts 2 taken: blokbeveiliging en snelheidsbeperking. Verder is het uitgerust met ATB of Automatische Trein(Tram) Beïnvloeding. Dit systeem geeft de seinstand door aan de boordcomputer. Deze computer gaat dan deze stand vergelijken met de snelheid van de tram. Als de tram te snel rijdt of een rood sein negeert, zal de automatische rem de tram afremmen tot deze de correcte snelheid heeft (of helemaal stilstaat bij een rood sein).

Een normaal sein heeft 6 lampen; 3 kleurlampen en 3 cijfers.

Net als bij het treinverkeer wordt de seinstand van een sein meegegeven door het vorige sein. Zo weet de trambestuurder steeds welke snelheid hij moet handhaven aan het volgende sein.
Dit houdt echter in dat de seinopvolging vastligt, dwz. na 1 seinbeeld volgt altijd hetzelfde andere seinbeeld. Deze is gerespecteerd in de volgende tabel. Beginnend bij groen, kan een sein enkel dat beeld geven dat net boven het vorige sein staat. Na een groen sein kan natuurlijk ook een ander groen sein volgen.

De seinbeelden
Rood

Stop
Rood+Oranje+10

Blok bezet, doorrijden toegelaten aan max. 10 km/h
Rit op zicht
Oranje + 16 knipper

Doorrijden toegelaten aan max. 16 km/h
Volgend sein rood
Geel + 27

Doorrijden toegelaten aan max. 27 km/h
Volgend sein geel
Groen + Geel

Doorrijden toegelaten aan max. 40 km/h
Volgend sein Geel + 27
Groen

Doorrijden toegelaten aan maximale snelheid
De seinbeelden zijn zo ontworpen dat ze steeds vanop afstand duidelijk zichtbaar zijn. Kleurcombinaties worden in de regel maar 1 keer gebruikt. Bij de enige uitzondering op deze regel (16-27) zit er een verschil in de getallen. De 27 brandt vast terwijl de 16 knippert.

Ook als een cijfer niet getoond kan worden, zal het sein nooit een hogere snelheid toestaan. Moest de 27 of de 16 gedoofd zijn, ziet de bestuurder een oranje lamp. Dit is een onbestaand seinbeeld, waardoor de bestuurder weet dat er een defect opgetreden is. Ook bij Rood+Oranje+10 geldt deze regel.

De snelheidsbeperkingen kunnen ook opgelegd worden voor wissels.

Blokbeveiliging
Het systeem zorgt ervoor dat er nooit twee trams in 1 blok kunnen in normale omstandigheden. Uitzonderlijk kan dit wel (Rood+Oranje+10), hier komen we later op terug.Het seinsysteem is van het principe "normaal open". Dit betekent dat een bloksein steeds openstaat, tenzij de omstandigheden een andere seinbeeld vereisen (tram in blok, defect,...).

Als een blok bezet is, zal het sein op Rood+Oranje+10 staan. Dit is gedaan in verband met de ATB. Moest een defect, zoals een een defecte seinlamp of een fout in de spoorstroomkring het sein doen terugvallen op Rood, zou alle tramverkeer onmogelijk worden, hoewel defecten niet noodzakelijk verkeer in de weg staan. Voor deze gevallen is het seinbeeld Rood+Oranje+10 uitgedacht. In normale gevallen moet de tram hiervoor stoppen. In geval van defect zal de centrale dispatching de controlefunctie overnemen, en door de radio toestemming geven om het sein te overschrijden. De ATB legt een snelheid van 10 km/h op.

Dit geldt echter enkel voor de blokseinen langsheen de baan. De andere seinen (aan wissels of stations) functioneren anders.

Stationsbeveiliging
Het laatste sein op het einde van een perron is altijd dicht. Pas als er een tram aankomt zal dit sein openen. Ook is ervoor gezorgd dat er steeds 2 trams aan een perron kunnen komen (tenzij hier geen plaats voor is). Voor deze zaken is een speciale seinopvolging uitgedacht:

Het laatste sein aan een station staat dus rood. Hierdoor staat het sein halverwege het perron Geel + 16, het sein aan het begin van het perron Geel + 27, en daarvoor Geel + Groen.
Als er echter al een tram aan het perron staat, zal de volgende tram Geel + Groen 2 seinen vroeger krijgen, waardoor hij weet dat hij moet vertragen. Het volgende sein staat op 27, het sein daarna, aan het begin van het perron op 16 en het sein in het midden van het perron op Rood+10.

Wisselbeveiliging
Seinen aan wissels zijn steeds gesloten op Rood + Oranje + 10. Een aankomende tram wordt gedetecteerd aan de hand van zijn ProData-signaal en de wissel legt zich juist. Hierna opent het sein. Dat het sein voor een wissel Rood + Oranje + 10 geeft, is gedaan om dezelfde reden als bij blokseinen, namelijk voor in geval van pannes aan de wissel. Moest de wisselmotor of een ander onderdeel haperen, kan de wissel manueel worden bediend met de wisselsleutel. Moest het sein echter op Rood staan, zou de ATB de tram verhinderen het sein te overschrijden. Bij Rood + Oranje + 10 blijft dit ten allen tijde mogelijk aan lage snelheid.

________
Alle informatie op deze pagina is ©B-Signal.